Het geheim van de dood van Nel.

Plots verscheen er gans onverwachts als een verdwaalde Geurt Roechs, een speelman met zijn vedel onder de arm, aan het Ganzenheuvelsven.
Hij was hongerig en uitgeput en liet zich languit aan de voet van de linde neervallen, waar de slaap hem weldra overmande.
Toen hij, gewekt door de avondkoelte, langzaam de ogen opende, zag hij aan de overkant van het ven een vrouwengestalte die moeizaam nader kwam.
Plots herkende hij Nel van de Katerheide, die in heel de omtrek maar een slechte naam had.
De speelman veinsde door te slapen, maar het vrouwmens kwam tot hij hem, boog zich over hem heen en raakte hem aan met haar stok.
Geurt schrikte wanneer hij het slordige wijf, dat hij eertijds als fatsoenlijk meisje had gekend, daar vlak naast zich zag.
‘Nog zo laat op ronde’ sprak ze hem aan.
‘Ja Nelleke’, antwoordde hij enigszins levend, terwijl hij zich moeizaam oprichtte, ‘ik ben weggevlucht voor de plunderaars ginder, bijna was ik mijn speeltuig nog kwijt!’
‘Uw speeltuig’, vroeg ze verrast, ‘het steekt zeker in die zak die daar naast u ligt’.
Geurt knikte van ja.
‘Laat eens horen of ge nog zo schoon kunt vedelen als vroeger’, lachte zij.
Geurt aarzelde.
‘Speel eens een danske’, drong ze aan.
Hij haalde verveeld zijn vedel uit de zak, raakte met de vingers even de snaren aan om te horen of ze nog de goede toon hadden en deed daarna, met een paar trekken van zijn strijkstok, de losse akkoorden opklinken.
Deze klanken milderden als bij toverslag zijn wrevelig gemoed en deden weer de ingeboren drang naar schoonheid in hem oplaaien.

Plots knetterden de eerste tonen van een volkse Redowa en het ging van:
‘Jan, Pier Dewit zijn vrouw,
hauw een mutske op (bis)
zoe zwart es te schouw.’

Meteen gingen de ogen van Nel aan het flikkeren. Zij liet haar stok vallen, zette de handen in de heupen en …. daar repte zij haar voeten, naar links, dan naar rechts, het hoofd nijgend op het ritme van lustige muziek.
Zo ging het vele malen rond de linde, totdat de cadans in een dwarrelende rondedans overging en de danseres tenslotte duizelend neerstortte en schaterlachend over het gras rolde.
Geurt dacht aan de heksensabbat waarvan hij zoveel vreselijke dingen had horen vertellen. Hoe was dat meisje zover kunnen afdwalen?
Ze kwam hijgend naast hem zitten en vroeg, na van haar verdwazing te zijn bekomen en met wat vertedering in haar stem:
‘ Zeg, Geurt, speel nu eens van de ‘Twee Coninckskinderen’, ge weet wel, het liedje dat we nog op school hebben geleerd’.
De speelman keek haar verwonderd aan. Hij vroeg zich af wie zij thans met die twee koningskinderen wel kon bedoelen.

Hij bezon zich wat om zijn verbazing te boven te komen en …. toen deinde ook de Vlaamse melodie der ‘Coninckskinderen’ door de ingetogenheid der heerlijke omgeving.
Nel scheen er door ontroerd en liet het hoofd langzaam op de borst zakken.
Toen de laatste weeklacht van het sprookje over het luisterend water was heen gegleden, richtte zij het hoofd weer op, keek naar het geheimzinnig ven en zuchtte: ‘Toen smoorde de jonge held’.

Er vielen een paar tranen op haar hijgende borst.
Geurt keek haar zwijgend aan, niet wetend wat hij van dit alles moest denken. Moeizaam stond Nel weer op, wees nogmaals naar het ven en snikte: ‘Daar, hij, de schone jonge held en ….., hier, zij de trouweloze, de vervloekte’. Haar lippen beefden, gans haar wezen scheen om erbarmen te smeken.

Was dit nog dezelfde Nel als die van de dolle Redowa van zo even.

de hut van NelOnbewust nam zij haar stok op en drukte de onthutste speelman de hand, terwijl zij hem toefluisterde: ‘Dank voor uw goedheid. Gij hebt vandaag mijn ontaard gemoed weer vatbaar gemaakt voor schoonheid, zoals ik die vroeger heb gekend. Gij hebt er tevens een onverwacht verlangen naar beter leven in gestort. Bid nu ook nog een ‘Ave Maria’ voor mij’.

Zij verwijderde zich dan langzaam in de richting van de grote heide, die in het licht der rode avondzon nog mooier scheen.

Geurt Roechs, met zijn speeltuig onder de arm, trok haastig weg van de plaats waar hij die schokkende ontmoeting had beleefd en richtte zijn stappen naar de Galgenberg, waar hij de kluizenaar Bruno wist wonen.
Hij naderde de hut en klopte zachtjes op de deur.
‘Wie is daar?’ klonk het binnen.
‘Geurt, de speelman’, antwoordde deze opgelucht.
‘Kom binnen jongen’, riep men hartelijk terug.

Geurt drukte de deur open en zag toen in het licht van een olielamp de grijze kluizenaar, gezeten in een hoek en met een kom melk op de knie.
‘Gij komt juist op tijd’, groette de kluisbewoner, ‘ er is voor u ook nog wat over, laat ze maar niet koud worden!’
Terwijl hij voor de speelman een kom melk vulde, bemerkte hij hoe ontroerd zijn bezoeker er uitzag en ondervroeg hem met een speurende blik.
Geurt zag niet op maar haastte zich de lekkere, goeddoende melk uit te lepelen. Na een kruisken en een dankwoord begon hij aan vader Bruno zijn wedervaren bij het Ganzenheuvelsven te  vertellen.

Het gelaat van de kluizenaar, dat aanvankelijk de grootste walg had uitgerukt, helderde weer op bij het einde van het relaas.
‘Goede God’, zuchtte hij, ‘ik geloof dat dit afgedwaald schaap toch nog op het goede pad zal terechtkomen, morgen vroeg ga ik haar opzoeken, als ’t God belieft!’
‘Maar, vader Bruno, begrijpt gij die uitroep van Nel – daar is hij versmoord –‘ wedervoer de speelman. ‘Ik breek er mij vruchteloos het hoofd mee’.
‘Ja jongen, ik weet er meer van, want ik kom overal, ziet ge. Haar vroegere geliefde is bij het overzwemmen van het ven, met het doel haar te ontmoeten, jammerlijk verdronken. Het meisje was toen reeds uit het ouderlijk huis gevlucht, omdat men daar hardnekkig tegen deze verkering gekant was. Daarna heeft zij een wispelturig en losbandig leven geleid, dat haar zover heeft gebracht als zij daar ginds heeft getoond. Och, wie zal haar daarom de eerste steen durven werpen. Heel zeker ga ik haar morgen spreken’.

Geurt had na dit droevig verhaal zijn kalmte weergevonden, hij stopte zijn pijp uit Bruno’s tabakspot en maakte zich klaar om heen te gaan, nogmaals dankend voor de genoten gastvrijheid.

‘Ik zal onderweg dat Ave Maria voor haar bidden wat ze mij gevraagd heeft’, beloofde hij alvorens te vertrekken.

Toen de kluizenaar ’s anderendaags, op weg naar de Katerhei, langs het ven kwam, bemerkte hij tot zijn grote ontsteltenis dat rond de voet van de linde een kring paddestoelen was opgeschoten.
Dat was een onheilspellend teken.
Zeker hadden de heksen dit merk er deze nacht achtergelaten.

kruisven, tekening door Theo LeendersOngerust spoedde hij zich naar de hei.
Van op afstand reeds ontdekte hij dat de hut van Nel er niet meer stond.

Nader gekomen zag hij met ontzetting dat zij tot aan de grond was afgebrand.

Geen teken van leven was er nog te bespeuren.

De heksen van het duivelse ven hadden zich heel zeker op haar gewroken. Peinzend keerde hij op zijn stappen weer, want hij vermoedde dat ook zij daar werd versmoord.

Hij staarde vruchteloos naar het onbewogen watervlak, waarboven de eerste stralen der opgaande zon hoog ten hemel schoten.

Zuchtend en teneergeslagen ging hij weg van daar, innig bedroefd om de mislukking van het menslievend werk dat hij zich als eerste taak van de dag en met zoveel medelijden had voorgenomen.

Het had niet mogen zijn.

Gelaten, doch niet zonder vertrouwen, prevelde hij: ‘God hebbe haar ziel’.


Terug naar verhalen


Uit het archief van Theo Leenders
Periodiek De Vreedsel, 2007, nr. 1, p. 27