In de Muyerkens luidt een klok.

In den tijd woonde er in den hoek van ’t donker nauwe steegje rechtover ons huis, een arme oude vrouw, Mieke Merken. Jarenlang had zij, moederziel alleen, de bouwvallige kelderhut bewoond ginder op het verlaten Eisderboschheide, in de nabijheid van de ‘Tumuli’ en aarden wallen van het Frankisch Kamp.

In een stormachtige nacht had men haar hulpgeroep tot in het dorp gehoord.
Dan waren koene kerels, geen bangeriken, opgetrokken en hadden ’t wijveke met haar schamele meubeltjes naar ’t steegje gevoerd. Maar de heide en de eenzaamheid hadden haar niet losgelaten. Iedere dag trok zij in haar kakelbonte kleren terug naar het stille oord om als de avond grauwde in de lucht, met een dikken takkenbos op haar schouders naar huis te strompelen. Als mussen stoven de kinderen van de straat!

Mieke Merken was een heks! Bulten maken en kelderslakken te voorschijn roepen, waren voor haar kinderspel. Zo vertelde men! En toch hadden we het gewaagd op zekeren dag een mutsaard naar Mieke te brengen. Op haar uitnodiging waren we, al zij ’t schoorvoetend, het huizeke binnengestapt waar het rook naar snuiftabak en vochtigheid. Aarzelend hadden we plaats genomen op een oude bruingeverfde familiekist, die we, achter den rug door, wantrouwend betastten. Mieke, de tachtigjarige zou vertellen. Als muizekens zo stil hebben we daar gezeten en geluisterd naar het verhaal der Witte Vrouwen uit de heide, de Alvermannekens uit den Koekelberg en de herkauwende bomen en wreedaardige weerwolven.
Wat klonk dat alles nieuw en mooi!

Dan vertelde Mieke ook van de verzonken klok. In de Muyerkens is een bron, een heel diepe bron. Op de bodem ligt een klok. In den kerstnacht komt die klok naar boven en begint te luiden. Dan draaien de koeien, paarden, schapen en geiten de kop naar het oosten en vallen op de knieën. Durft ge op dat ogenblik aan de bron komen, dan trekt een haak u de dieperik in”. Het was het laatste sprookje dat we uit Miekes mond vernamen.
Toen we haar vroegen: “Wie heeft die klok daarin geworpen?” bleef zij het antwoord schuldig.

hut van Mie Merken

Als op commando sprongen we recht, liepen naar de deur en riepen: “De Fransche Revolutionnairen”. Het stond immers in ons handboek over vaderlandsche geschiedenis, dat de Franschen de klokken uit de kerken hadden gehaald! Doch Mieke schreeuwde ons na ‘Neen, neen’!
Jaren waren sedert dit gebeuren heengegaan. Mieke was naar ’t oud-mannenhuis verhuisd en daar gestorven. De Koekelberg was weggevoerd, de aarden wallen waren gedempt en waar eens Tumuli lagen, verrees nu een statige kerk, een tuinwijk en daverende centrales en machinezalen. De historie van de verzonken klok hadden we nooit meer gehoord en sluimerde diep in ons onderbewustzijn, tot op zekeren dag een leerling kwam aandraven met het nieuws:”Meester, mijn grootvader zegt dat in de Muyerkens een bron is waarin een klok ligt”!

Toen dook de figuur van Mieke Merken weer op en voor onze ogen schoof traag, oh zo klaar, een film, een klankfilm, want in onze oren klonk weer opnieuw zo rauw en scherp: “Neen, neen”!

Meester G.H. Dexters werd geboren in Eisden op 20 november 1905 en overleed er op 8 februari 1947 In ‘De Schakel’ jaargang 1939 publiceerde G.H. Dexters ‘De folklore in de Volksschool’ en ‘In de Muyerkens luidt een klok!’, volgens hoofdinspecteur Strauven ‘twee geschriften die na een halve eeuw nog het lezen overwaard zijn’.

Over Gisbert Hubert Dexters schreef wijlen Frans Meijers in het Eisdens periodiek  ‘Eisden, van scheetskoel tot zandberg’ 1984, een beknopte levensgeschiedenis, die hij eindigde met “de naam van Meester Dexters zal door zijn ambtgenoten en leerlingen steeds met ere worden genoemd”.

bron lag bij de WillibrordusstraatSint-Jansbron

De bron in het verhaal van Mieke Merken was de St.-Jansbron, die ontsprong in de weide naast het woonhuis van Mathieu Van Herck. Langs de woning kreeg men via een houten hekafsluiting toegang tot de weide. Een dertigtal meter verder naast de Vrietselbeek lag de bron.

Men kan ze ongeveer situeren op de plaats waar nu de Willibrordusstraat over de beek gaat. In een plas van 2 à 3 meter doorsnede borrelde in het midden water op. Aan die plas kwam het vee drinken. Veiligheidshalve bleven de dieren aan de kant van de plas, want in het midden was het erg drassig. Ook dit water vloeide naar de Vrietselbeek

1942

Na een geschiedenisles van wijlen meester Pol (Polydoor Peters) gingen Henri Dirckx, Arnold Rutten en ikzelf op zoek naar die bron en we vonden ze zoals hierboven beschreven. Onze zoektocht ging die zondagvoormiddag verder naar Eisden-dorp. In de kerk hingen enkele kunstschatten van de Sint-Janskapel, nl. de apostelbalk, het hoofd van St.-Jan de Doper en het kersttafereel. De toenmalige pastoor van Eisden, Eerwaarde Heer Paredis, was verrast door die jeugdige belangstelling en gaf graag uitleg.


Terug naar verhalen

Uit het archief van Theo Leenders
Periodiek De Vreedsel, 2006, nr.4, p. 27