Een vergeten hoekje in ons dorp is wellicht het gebied rond het “Loarbeekske”

huis Pousset waarin de bronIn een vroegere uitgave van ons tijdschrift (1996) hadden we het reeds over dit beekje.

We vermeldden toen dat na de dijkbreuk door een bominslag op 24 november 1941 rond 21 uur en na het aanbrengen van de twee dammen in de oude vaart – nodig om de bres in de dijk te herstellen – het beekje ook water kreeg uit de oude vaart. Dit was nodig om wat beweging in het haast stilstaande water te bekomen.

Maar de voornaamste bron van het beekje was het opwellende water (sprènk) in de kelder van de dijkwachterswoning (voor ons het huis van Poussét). Die dijkwachter, in dienst van de scheepvaart, stond in voor het nazicht van de dijken. Hij woonde in het hoge huis aan het kanaal. Die woning werd omstreeks 1945-1946 afgebroken, met als gevolg dat het water elders een weg zocht. Of kwam deze ‘sprénk’ ook droog te staan ten gevolge van de verzakkingen die zich naar Eisden toe voordeden?

Laarbeek

Naast het beekje had men de ‘Aafslaag’, een smalle goed onderhouden aarden weg, circa 1,5 meter breed, die van de Oude Baan naar het dijkwachterhuis liep. Men kon er gemakkelijk met een hondenkar door. Nu ligt het weggetje er totaal verwilderd bij en is er haast geen doorgang meer mogelijk

Het beekje vloeide in de richting van de Oude Baan, waar het door middel van grote rioolbuizen onder de weg door liep. Aan de andere kant van de weg boog het naar links en na een tiental meter was het weer overbrugd om toegang te verschaffen tot de achterliggende weilanden.

duiker

Links lag een weide van Anton Lejeune van Aldeneik, gepacht door de familie Pichler en rechts was een weiland waar het vee van Christ Dreesen graasde. Waar die overbrugging vroeger was, begint de Koppelstraat.
Het beekje liep een honderdtal meter verder langs de Oude Baan – nu ondergronds in buizen – en draaide dan rechtsaf richting Vrietselbeek, waarin het uitmondde. In die bocht was het beekje wat breder en de dijk niet zo steil, zodat men gemakkelijk bij het water kon komen. De diepte bedroeg er 25 à 30 cm, een ideale drenkplaats voor het vee.

Het krioelde er van leven. Het is in dat beekje dat we misschien meer kennis opdeden dan in de wekelijkse les van natuurkunde. Er ging ook geen dag voorbij of we hadden iets nieuws gezien.
Als we op zoektocht gingen in het beekje waren we het meest beducht voor de geelgerande watertor. We wisten dat deze snelle zwemmer de schrik van de onderwaterwereld was. Stekelbaarsjes waren steeds op hun hoede voor deze rover, die er zelfs niet voor terugdeinsde de grote watersalamander aan te vallen in de buikzijde zodat deze over een grote lengte opengereten werd.

De kever vangen dat durfden we wel, maar hem in de hand nemen, dat niet!
Watertorren zijn vraatzuchtige rovers die elkaar in gevangenschap zelfs opeten. Meestal voeden ze zich met planten die half vergaan zijn, maar ze jagen ook op slakken en andere ongewervelde dieren.
Ze zwemmen met afwisselende beweging van de achterpoten en kunnen zich buiten het water al vliegend verplaatsen.
In dat beekje zwommen kleine stekelbaarsjes. Ooit hadden we het geluk een van die stekelbaarsnestjes te ontdekken. Het was een buisvormig bouwsel, een kleine tunnel, door het mannetje gemaakt met plantaardig materiaal.

stekelbaars

Als het wijfje legrijp was, zwom ze door dat tunneltje en deponeerde er haar eitjes, waarna het mannetje ze kwam bevruchten en de verdere zorg voor eitjes en jongen op zich nam.
Heel voorzichtig namen we een lange grasspriet en lieten die zacht door het water naar het nestje toeglijden. Onmiddellijk reageerde het mannetje, de stekeltjes op zijn rug rechtop, klaar om zijn kroost te verdedigen.

Zoetwatergarnaaltjes zwommen in massa in de beek – voor ons waren dat ‘beekwormen’.
Over de bodem bewogen zich kleine kokertjes – sprokkelaars – met de larve van de kokerjuffer, die zich verborg in een zelfgemaakt houten of steenachtig kokertje om zich te beschermen tegen vissen, die naar het schijnt deze larven als een delicatesse beschouwen.

schrijverke of draaikevertje Kleine beekjuffertjes vlogen rond, mannetjes met blauwe vleugeltjes en vrouwtjes in het groen.
Over onze hoofden scheerden de libellen, ‘poppesnijders’ noemden we ze.
Van hun larven hadden we ook een beetje schrik, ze leken ons zo vervaarlijk met hun nijptangen.
Hun beet kon zo’n pijn doen!
We zagen er het schrijvertje over het water scheren. Als ik daaraan denk, schiet me onmiddellijk het mooie gedicht van Guido Gezelle te binnen:

beekje

Het schrijverke

 

O krinklende winklende waterding,
met ’t zwarte kabotseken aan
wat zien ik toch geren uw kopke flink
af schrijvend op ’t waterke gaan!

Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één …’

 

 

Dichter naar de Vrietselbeek toe zagen we het mooie ijsvogeltje, dat wellicht in de steilere dijk van de Vrietsel zijn nestje had. Het was net een kleurenpallet dat langs ons doorschoot en zich ergens schuw verschool. van een fijne koperen draad,  die eindigde in een lus, werden ze gevangen. Behoedzaam lieten we de lus zakken tot op hoogte van de snoek en heel voorzichtig schoven we de lus over hem heen, zonder hem te raken. Met een ruk trokken we dan de snoek uit het water. ‘Snook ströppe’ noemden we dat.

Tijden veranderen. Weilanden werden verkaveld tot bouwplaatsen, het beekje loopt door buizen langs de straat en het water is geen bronwater meer.
Waar is de tijd dat we na ons spel onze dorst gingen lessen aan het Laarbeekje!


Terug naar verhalen


Uit het archief van Theo Leenders
Periodiek De Vreedsel, 2007, nr.2, p. 39